Terwijl ik de woorden van dit bericht opschrijf in mijn eigen handgemaakte journal, zit ik te genieten en te dromen onder de hoge bomen die een lange rij vormen aan beide zijkanten. Mijn favoriete smalle bomenpad sinds ik naar het hoge noorden ben verhuisd.
Alweer 42 jaar geleden.
Het is weer eens warm deze zomer en de bomen lijken vandaag als mijn persoonlijke beschermheren te dienen. Alleen hier vind ik een aangenaam briesje vandaag. Zweet loopt te parelen op mijn voorhoofd en de broek kleeft vast aan mijn benen.
Lekker is anders.
Maar die rust en tienduizend stappen zijn een noodzaak geworden.
Voordat ik hier op het bankje landde, had ik een heldhaftige poging gedaan om ruim een kilometer over een klein paadje te lopen langs water en struiken. Het was een waarlijk avontuur zo tussen de bloedzuigende soldaten van de natuur.
Zojuist geleerd wat hardlopen betekent.
Niet mijn ding.
Niet alleen vanwege de hitte en de opvliegers (niet die soldaten) die getriggerd worden door deze hitte, maar ook vanwege een aflatende conditie.
Ondanks dat ik al twee jaar gestopt met die giftige stokjes.
Ooit was ik een stoomlocomotief die Noek was (Niet op eigen kracht kunnen rijden) en nu een elektrische trein in wording, waarvan de batterij geregeld leeg is.
Gelukkig hoef ik mijn vinger niet in het stopcontact te steken, als die er al in zou passen met al dat vocht wat ik vasthoudt deze zomer.
Nee, ik heb rust nodig en het liefste in de natuur. En dat lukt, hoewel echt rust vinden hier in ons kikkerlandje niet meevalt. En dan bedoel ik stilte.
Op de heenweg waren er al wat mooie straaljagers te bewonderen.
Prachtig.
Alleen die herrie……
Verschrikkelijk.
Je ziet gelijk wat vogels wegstuiven van schrik.
Niet veel later een paar witte zweefvliegtuigen waarvan de motors goed op dreef waren. Toen ik klein was vond ik dat een heerlijk geluid om te horen.
Het ultieme gevoel van de zomer. Lekker op de tuinstoel met een waterijsje in mijn hand. Hoogstwaarschijnlijk na een lange dag zwemmen in het natuurwater wat bij ons in de buurt ligt.
Nu stoor ik mij lichtelijk aan het geluid.
Even later zie ik de ene na de andere op tien kilometer hoogte voorbij komen. Al die verre bestemmingen.
Hoe mooi.
Maar ook de bevuiling.
Wat minder mooi.
Voel ineens de hitte schroeien en schuif wat op.
Een zonnestraal zit te pesten. Nergens een wolk.
Vogels schuilen vandaag ook. Arme beestjes.
Vroeger, nog maar een paar honderd jaar geleden, hadden ze de hemel voor zichzelf. Was er oorverdovende stilte. Was er geen snelweg naast de bomen met het oorverdovende genot van auto’s en motors met knaluitlaten. Hoorde je in de verte niet elke twintig minuten een trein langs denderen.
Nope.
Er was rust.
De wereld was een fijnere plek om te vertoeven. Zelfs in mijn jeugd.
42 Jaar geleden.
We genoten meer van elkaars aanwezigheid dan nu.
Meer tijd voor het gezin.
Televisie was in de winter misschien een uurtje per avond. En dan zag je ook nog redelijk onschuldige kinderprogramma’s.
Fabeltjeskrant. Smurfen. Troetelbeertjes.
Het nieuws werd steevast een keer per dag gekeken om acht uur ’s avonds en in het algemeen alleen door ouderen. Het jeugdjournaal werd door een kleine groep jonge kinderen gezien, want welke jongere had nou behoefte eraan om te weten wat er in Amerika gebeurde?
Andere kant van de wereld waar je hoogstwaarschijnlijk nooit zou komen. Vliegtickets waren onbetaalbaar en daar moest je heel lang voor sparen. Daar lag echt niemand wakker van.
De enige keer dat ik van plan was om daarheen te vertrekken, was na het zien van mijn favoriete serie Pippi Langkous.
Ja.
Het rubberbootje stond klaar en ik zou vertrekken.
Gelukkig kreeg mijn moeder gauw in de gaten dat er iets niet pluis was. Dat avontuur had een minder goede wending kunnen hebben.
Een van de fijne dingen uit die tijd was dat wij ook geen social media hadden om de hele dag door met FOMO en groen gras geconfronteerd te worden.
De stilte.
Als kleding stuk was werd het gemaakt door onze moeders of we deden het zelf. Vaak kwam er een leuke creatie uit.
Dat werd gewaardeerd.
Dat was ook normaal.
Mijn zoon vroeg eens waarom ik op een foto een gehaakt truitje droeg met gaten zo groot dat mijn schouders eruit staken.
Op de foto was ik zeventien jaar oud. Het jaar 1993.
‘Nou gewoon. Truitje was saai’.
Hij keek me raar aan.
‘Ja’, antwoordde ik lachend, ‘wij waren vroeger niet rijk hoor. We kochten niet elke maand nieuwe spullen en schoenen hadden eerst gaten in de zolen voordat je nieuwe kreeg.’
Nu mag dat niet meer.
Alles moet nieuw.
Liefst elke maand een kast vol aan nieuwe kleren. Alles uit goedkoop China, want wie kan dat anders betalen?
Vroeger had je misschien twee keer per jaar een tasje vol nieuwe kleren. Wel kwaliteit. Troep van tegenwoordig is binnen een maand vaak al stuk. Zelfs duurdere spullen worden zo gemaakt dat ze gauw verslijten en dat vaak net buiten de garantietermijn.
Vroeger fietsen wij elke dag kilometers naar school en broeken bleven gewoon goed. Broeken van nu, en ook merkkleding, heeft binnen een maand al slijtageplekken waar het zadel langs schuurt. En sommigen waren al stuk binnen een maand.
Ik fiets veel.
Geen auto.
Het is diep triest, maar hebzucht en geldzucht is een echt naar dingetje wat onze maatschappij in de greep houdt.
In een wurggreep.
En waarom? Zodat we nog meer troep kunnen kopen? Nog meer moeten werken? Nog minder tijd voor elkaar?
En het moet allemaal steeds sneller, het moet steeds meer worden en we raken ondertussen alles kwijt wat we echt nodig hebben. Zoals echte rust. Stilte. De natuur.
Al dat lawaai veroorzaakt stres. Allang bekend en bewezen.
We weten het. We voelen het.
Maar toch pakt men steeds vaker de auto, zelfs voor twee straten verderop om boodschappen te doen. De fietsen moeten beslist elektrisch en we pakken het liefst drie keer per jaar het vliegtuig.
Als het kan gaan we daar op onze vakantiebestemming nog even wat meer herrie maken en vervuilen we de natuur met wat plastic souvenirs en rondslingerende peuken.
Je begrijpt wel dat ik er nu zo over denk terwijl ik hier onder de bomen aan het afkoelen ben. Bomen die ik bijna mijn hele leven ken.
Konden ze maar praten.
Honderd meter aan de overkant zie ik die snelweg als een lelijk storende lijn en kan ik auto’s gaan tellen.
Bijna slaapverwekkend.
We zijn net mieren, maar dan een vervelende soort.
Achter mij hoor ik in de verte een trein en ondanks mijn oorsuizen vang ik tonen tegelijk op.
Hooggevoelig zijn kent vele kanten.
Ik besluit later dieper tussen de bomen in te duiken om toch een vogel te kunnen horen. Wat vlindertjes te spotten voor een foto en echt heel even mijzelf in stilte te wanen.
Op de terugweg zit ik op de fiets mezelf een portie kalmte toe te spreken, want de zon brand door de broek heen. Waarom had ik toen ik vertrok het niet door dat het zo heet zou zijn?
Ah ja, even een keer niet de buienradar gecheckt.

Ik zie wat paarden bij elkaar staan bij een hek.
Er zit geen beweging in.
Even stop ik bij ze om ze toe te spreken. ‘Zoek die bomen daar nou even op jongens’, maar ze kijken me amper aan. Ze besloten kalm te blijven, stil te zijn en bleven staan.
Misschien hadden ze gelijk.
Ik besloot ze met rust te laten, maar moest nog even wachten op die ene auto midden in de natuur.
Had vast airco.
Psalmen 37:7 Wees stil en verwacht alles van de Heer. Wees niet jaloers op mensen bij wie alles goed lijkt te gaan en bij wie alle misdadige plannen lijken te slagen.


Geef een reactie